Wie het historische Biar bezoekt, ziet vrijwel meteen hoe sterk het verleden nog in het dorpsbeeld aanwezig is. Hoog boven de oude straten staat het kasteel dat al eeuwenlang het silhouet van de plaats bepaalt. Aan de voet van de heuvel liggen smalle straatjes, oude doorgangen, pleinen en de kerk van Nuestra Señora de la Asunción. Samen vertellen zij het verhaal van een plaats die veel meer was dan een rustig landbouwdorp in het binnenland van Alicante. Biar was een islamitische vesting, een van de laatste plaatsen die Jaume I tijdens de zuidelijke uitbreiding van het Koninkrijk Valencia innam en daarna eeuwenlang een belangrijke grensplaats tegenover Castiliaans gebied. Later groeide het uit tot een koninklijke gemeente met eigen privileges, ambachten, handel en een sterke lokale identiteit. De geschiedenis van Biar bestaat daardoor niet uit één periode, maar uit verschillende lagen die nog altijd in het landschap, de architectuur en de tradities van het dorp herkenbaar zijn.
Sporen voor de middeleeuwen
De zichtbare geschiedenis van Biar wordt vooral bepaald door de middeleeuwen, maar mensen leefden al veel eerder in dit deel van de provincie Alicante. Het gemeentelijke overzicht van beschermde archeologische locaties vermeldt in en rond Biar sporen uit de bronstijd en de Romeinse periode. Een bekend voorbeeld is de Cueva Negra, een grot waar resten uit het tweede millennium voor Christus zijn aangetroffen. Ook op andere hoger gelegen plaatsen in het uitgestrekte gemeentelijke grondgebied zijn aanwijzingen gevonden voor vroegere bewoning, tijdelijk verblijf en begravingen. Dat past bij het bredere beeld van de Hoge Vinalopó, waar mensen in de prehistorie gebruikmaakten van heuvels, grotten, waterbronnen en natuurlijke doorgangen tussen het binnenland en de kust.
Archeologische vondsten betekenen niet automatisch dat op de plaats van het huidige Biar vanaf de bronstijd voortdurend een groot dorp heeft bestaan. Bewoning kon verdwijnen, verschuiven of eeuwenlang uit slechts enkele kleine nederzettingen bestaan. Ook uit de Romeinse periode zijn sporen bekend, maar er is geen overtuigend bewijs dat Biar toen al de vorm had van een permanent stedelijk centrum. De strategische ligging bleef echter aantrekkelijk. De omgeving bood landbouwgrond, natuurlijke bronnen, beschutte valleien en controle over routes die later Villena, Castalla, Banyeres de Mariola en andere plaatsen met elkaar verbonden. Die geografische voordelen zouden tijdens de islamitische periode uiteindelijk leiden tot de ontwikkeling van de versterkte nederzetting die als voorloper van het huidige Biar kan worden beschouwd.
Islamitische vesting op de heuvel
De herkenbare oorsprong van Biar ligt in de periode van Al-Andalus, de naam voor de delen van het Iberisch schiereiland die gedurende verschillende eeuwen onder islamitisch bestuur stonden. Op de rotsachtige heuvel boven het huidige dorp werd in de twaalfde eeuw een vesting gebouwd. Het kasteel maakte gebruik van de natuurlijke hoogte en gaf uitzicht over de valleien, bergpassen en verbindingswegen in de omgeving. Vanaf deze plaats konden bewegingen van mensen, handelswaar en legers vroeg worden opgemerkt. De nederzetting aan de voet van het kasteel profiteerde tegelijkertijd van de bescherming die de muren en torens boden.
Het kasteel werd grotendeels gebouwd met metselwerk en tapial. Tapial is een traditionele bouwtechniek waarbij aarde, kalk, zand en kleine stenen tussen houten bekistingen stevig werden aangestampt. Deze methode werd veel gebruikt in islamitische vestingen en maakte het mogelijk om dikke muren en hoge torens te bouwen met plaatselijk beschikbare materialen. De belangrijkste toren van Biar is de rechthoekige Torre del Homenaje, in het Nederlands de hoofd- of verdedigingstoren. Deze is ongeveer negentien meter hoog en bestaat uit drie verdiepingen.
Bijzonder is vooral de geribde Almohadische gewelfconstructie in de toren. De Almohaden waren een islamitische dynastie die in de twaalfde en dertiende eeuw over grote delen van Noord-Afrika en het Iberisch schiereiland regeerde. De gewelven van Biar behoren tot de oudste bewaard gebleven voorbeelden van dit type en zijn uitzonderlijk binnen militaire architectuur in Spanje. Zij laten zien dat het kasteel niet alleen een eenvoudige uitkijkpost was, maar een zorgvuldig ontworpen vesting met technisch en architectonisch bijzondere onderdelen.
Het kasteel bestond uit een dubbele ommuring met verschillende torens en een hoger gelegen binnenste gedeelte rond de hoofdtoren. Binnen de muren lagen vertrekken voor bewaking, opslag, voedselbereiding, dieren en de mensen die verantwoordelijk waren voor de verdediging. Regenwater werd opgevangen en bewaard in een waterreservoir dat in de rots was aangelegd. Zo kon de bezetting tijdens droge perioden of een belegering langere tijd binnen de vesting blijven.
Verdrag en verovering
De dertiende eeuw veranderde de geschiedenis van Biar ingrijpend. Christelijke koninkrijken breidden hun grondgebied steeds verder naar het zuiden uit, waarbij de Kroon van Aragón en de Kroon van Castilië afspraken moesten maken over de gebieden die iedere partij mocht innemen. Op 26 maart 1244 sloten Jaume I van Aragón en de Castiliaanse kroonprins Alfonso, de latere koning Alfonso X, het Verdrag van Almizra. Het verdrag werd gesloten in het huidige Campo de Mirra, op korte afstand van Biar, en legde de toekomstige grens tussen beide invloedssferen vast.
Biar kwam volgens deze afspraken aan de Aragonese zijde van de grens te liggen. Het kasteel was op dat moment echter nog in islamitische handen. Jaume I begon daarom een langdurig beleg. Volgens de officiële toeristische geschiedschrijving duurde dit ongeveer zes maanden. Tijdens de aanval werd onder meer een fonevol gebruikt, een middeleeuwse belegeringsmachine waarmee zware stenen naar muren en verdedigingswerken konden worden geslingerd. De vesting stond onder leiding van de islamitische bevelhebber Musa Almoravit, wiens naam in de kroniek van Jaume I wordt genoemd.
In februari 1245 gaf Biar zich uiteindelijk over. De inname sloot een belangrijke fase van de christelijke verovering van het zuidelijke deel van het latere Koninkrijk Valencia af. Het is daarom nauwkeuriger om 1245 en niet 1244 als het jaar van de verovering van Biar te noemen. Het jaar 1244 hoort bij het Verdrag van Almizra en het begin van de laatste militaire fase rond de vesting. Na de overgave plaatste Jaume I een christelijke bezetting in het kasteel, terwijl een deel van de islamitische bevolking aanvankelijk in de omgeving kon blijven wonen en werken.
Die situatie bleef niet zonder spanningen. Tijdens islamitische opstanden in het Koninkrijk Valencia tussen 1276 en 1278 veranderde de bevolkingssamenstelling opnieuw. Steeds meer grond en woningen kwamen in handen van christelijke kolonisten. In 1280 bevestigde koning Pedro III verschillende grondtoewijzingen. Dit document wordt vaak beschouwd als een soort Carta Puebla, een officiële regeling waarin rechten, plichten en grondverdeling voor inwoners werden vastgelegd. Daarmee kreeg de christelijke nederzetting onder het kasteel een steviger bestuurlijke en economische basis.
Grensplaats van het koninkrijk
Na de verovering werd Biar een van de belangrijkste zuidelijke grensplaatsen van het Koninkrijk Valencia. Aan de andere kant van de grens lagen gebieden die tot Castilië behoorden, waaronder Villena en het omvangrijke middeleeuwse machtsgebied dat later bekend zou worden als het markiezaat van Villena. De afstand tussen Biar en Villena is klein, maar politiek lagen beide plaatsen lange tijd in verschillende koninkrijken. Dat maakte de weg tussen de twee gemeenten strategisch belangrijk en verklaart waarom het kasteel van Biar nog eeuwen werd onderhouden.
De grensfunctie is terug te zien in het historische wapenschild van Biar. Daarop staan twee gekruiste sleutels en het Latijnse motto Claudo et Aperio Regnum. Dit kan worden vertaald als: “Ik sluit en open het koninkrijk”. De sleutels en de spreuk verwijzen naar Biar als toegangspoort tot het Koninkrijk Valencia. Wie vanuit Castiliaans gebied verder naar het oosten wilde trekken, kwam langs routes die door de vesting konden worden gecontroleerd. Het kasteel was daarmee niet alleen een verdedigingswerk voor de eigen bevolking, maar ook een symbolische deur tussen twee politieke gebieden.
Biar bleef rechtstreeks verbonden met de kroon en kreeg de status van koninklijke gemeente, een zogenoemde villa real. Dat betekende dat de plaats niet eenvoudig als heerlijkheid aan een adellijke familie kon worden overgedragen. De koningen bevestigden in verschillende perioden privileges en rechten van de inwoners. Vanaf het einde van de dertiende eeuw had Biar bovendien vertegenwoordiging in de Valenciaanse standenvergadering, de historische Corts Valencianes. Voor een plaats die tegenwoordig nog geen vierduizend inwoners telt, was dat een opvallend belangrijke positie.
De nabijheid van de grens bracht niet alleen macht en privileges, maar ook onzekerheid. Conflicten tussen Castilië en Aragón, plundertochten en politieke spanningen konden rechtstreeks gevolgen hebben voor boeren, handelaren en bewoners. De bevolking moest bijdragen aan het onderhoud van muren, wachttorens en het kasteel. Tegelijk profiteerde de plaats van doorgaand verkeer, handel en de aanwezigheid van bestuurders en militairen. De grens maakte Biar kwetsbaar, maar gaf de gemeente ook een betekenis die veel groter was dan haar omvang.
Kasteel en ommuurde kern
Onder de bescherming van het kasteel groeide het dorp langs de helling naar beneden. De oudste straten volgden niet het rechte patroon van een moderne woonwijk, maar pasten zich aan de rotsen, hoogteverschillen en verdedigingsmuren aan. Daardoor ontstond een netwerk van smalle straten, trappen en doorgangen. Op verschillende plaatsen herinneren bogen en resten van poorten aan de vroegere toegang tot de ommuurde kern. Deze bouwstructuur is nog steeds herkenbaar tijdens een wandeling door het historische centrum.
Het kasteel bleef in de veertiende en vijftiende eeuw een belangrijk verdedigingspunt. Koningen en plaatselijke bestuurders lieten muren, torens en woonruimten herstellen wanneer dat nodig was. Binnen het complex bevonden zich niet alleen militaire voorzieningen, maar ook een kapel, een keuken, een oven, opslagruimten en onderkomens voor de kasteelbeheerder en zijn gezin. De beheerder werd in Spanje de alcaide genoemd. Hij was namens de kroon verantwoordelijk voor het gebouw, de bewapening en de garnizoensleden.
Toen de grens tussen de koninkrijken minder gevaarlijk werd, verloor het kasteel langzaam zijn militaire functie. Het gebouw bleef wel onderdeel van het dorpsleven. In latere eeuwen werden delen ervan voor andere doeleinden gebruikt en raakte een deel van het complex in verval. Vanaf de achttiende eeuw werd het terrein zelfs gedurende een periode als begraafplaats gebruikt. Dat verklaart waarom sommige oorspronkelijke gebouwen binnen de muren verdwenen en waarom het kasteel niet volledig in zijn middeleeuwse vorm bewaard is gebleven.
In 1931 werd het kasteel tot nationaal historisch monument verklaard. Later kreeg het de beschermde status van Bien de Interés Cultural, oftewel cultureel erfgoed van bijzonder belang. Door opeenvolgende restauraties zijn muren, torens en de toegang veiliggesteld. In 2024 werd een vernieuwde museale presentatie geopend met informatie over de islamitische verdedigers, de christelijke verovering en de rol van Jaume I. Daardoor is het kasteel niet alleen een herkenbaar monument, maar ook een plaats waar de geschiedenis van Biar begrijpelijk wordt gemaakt voor nieuwe generaties en bezoekers.
Kerk groeit door eeuwen
Na de christelijke verovering kreeg het religieuze leven een steeds centralere plaats in de gemeente. De huidige parochiekerk heet Iglesia de Nuestra Señora de la Asunción, de kerk van Onze-Lieve-Vrouw Tenhemelopneming. Het huidige gebouw werd vanaf het einde van de vijftiende eeuw opgetrokken, waarschijnlijk op of dichtbij de plaats van een oudere christelijke kerk. De oudste bouwfase is laatgotisch. De kerk kreeg één groot middenschip, kapellen tussen de steunberen en gewelven waarvan de stenen ribben elkaar in decoratieve patronen kruisen.
De kerk werd niet in één korte bouwperiode voltooid. In de zestiende eeuw kreeg zij een rijk versierde toegangspoort in de platereske stijl. Plateresk is een vroege vorm van Spaanse renaissancearchitectuur met fijne decoraties die doen denken aan het werk van een zilversmid. De toegangspoort dateert uit 1519 en behoort tot de opvallendste renaissancedetails in het zuiden van de Valenciaanse regio. De versiering combineert klassieke vormen met religieuze symbolen en enkele elementen die nog uit de gotische traditie stammen.
In de late zeventiende eeuw volgden grote uitbreidingen. Tussen 1688 en 1694 werd de kapel voor de communie gebouwd in een uitbundige barokstijl. Deze decoratieve variant wordt ook churrigueresk genoemd en is herkenbaar aan het rijke stucwerk, de beweging in de vormen en de overvloed aan versiering. Het priesterkoor werd rond 1696 vernieuwd en tussen 1698 en 1702 verrees de klokkentoren. Daardoor toont de kerk verschillende eeuwen architectuur in één gebouw: laatgotische fundamenten, een renaissancistische ingang en barokke uitbreidingen.
Kerk en kasteel werden de twee belangrijkste herkenningspunten van Biar. Het kasteel vertegenwoordigde verdediging en koninklijk gezag, terwijl de kerk het centrum werd van religie, feesten, doopplechtigheden, huwelijken en begrafenissen. Rond het kerkplein en de omliggende straten ontwikkelden zich winkels, ambachten en ontmoetingsplaatsen. Veel jaarlijkse tradities zijn nog altijd verbonden met de parochie en met de verering van de Mare de Déu de Gràcia, Onze-Lieve-Vrouw van Genade, de beschermheilige van Biar.
Water, ambacht en handel
Hoewel Biar vooral bekendstaat als vestingplaats, kon het dorp alleen groeien wanneer voldoende water beschikbaar was. Bronnen in de bergen, waterleidingen en kleinere irrigatiesystemen waren belangrijk voor huishoudens, dieren, werkplaatsen en landbouwgrond. Een bijzonder overblijfsel daarvan is het gotische aquaduct aan de rand van het historische gebied. Dit ongeveer zeventig meter lange bouwwerk dateert uit 1490 en wordt toegeschreven aan de bekende bouwmeester Pere Compte, die ook betrokken was bij belangrijke gebouwen in Valencia.
Het aquaduct overspande een ravijn met een spitsboog en maakte het mogelijk water naar landbouwgronden en de nederzetting te leiden. Zo’n constructie laat zien dat laatmiddeleeuws Biar niet alleen geld investeerde in verdediging en religie, maar ook in praktische infrastructuur. Water bepaalde hoeveel grond kon worden gebruikt, hoeveel dieren konden worden gehouden en welke ambachten zich konden ontwikkelen. Het bouwwerk vormt daarom een belangrijk onderdeel van de economische geschiedenis van de plaats.
Landbouw bleef eeuwenlang de basis van het bestaan. In het bergachtige buitengebied werden onder meer graan, amandelen, olijven en druiven verbouwd. Veeteelt, bosbouw en het verzamelen van kruiden, hout en honing vulden de inkomsten aan. Het werk was sterk afhankelijk van regen, omdat grote delen van de landbouwgrond niet permanent werden geïrrigeerd. Droogte, koude winters of zware onweersbuien konden daardoor grote gevolgen hebben voor de oogst en het inkomen van gezinnen.
Naast landbouw ontwikkelde Biar een sterke ambachtelijke traditie. Vooral aardewerk en keramiek werden belangrijk. Historische studies wijzen erop dat in de zestiende eeuw al pottenbakkers en makers van kruiken en kookpotten actief waren. De karakteristieke geglazuurde keramiek waarmee Biar tegenwoordig wordt geassocieerd, kreeg in de negentiende eeuw een duidelijkere industriële vorm. De plaatselijke toeristische dienst spreekt inmiddels over een traditie van meer dan 150 jaar. Blauwe en witte decoraties werden kenmerkend, al werden ook andere kleuren en motieven gebruikt.
De pottenbakkers maakten geen luxevoorwerpen voor musea, maar vooral praktische producten voor huishoudens en landbouwbedrijven. Kruiken, schalen, voorraadpotten, tegels en kookgerei werden in de regio en daarbuiten verkocht. Keramiek vormde daarmee een bron van werkgelegenheid en een manier waarop de naam Biar buiten de gemeente bekend werd. Het Etnografisch Museum Miguel Maestre Castelló bewaart tegenwoordig veel gebruiksvoorwerpen die laten zien hoe inwoners vroeger werkten en leefden. Ook olijfolie, honing en ambachtelijke noga werden onderdeel van de lokale productie en zijn nog steeds met de gemeente verbonden.
Koninklijke trouw en conflicten
Biar bleef ook na de middeleeuwen betrokken bij grotere politieke conflicten. Tijdens de opstand van de Germanías aan het begin van de zestiende eeuw kozen verschillende groepen ambachtslieden en inwoners van Valenciaanse steden en dorpen de kant van de opstandelingen. De beweging verzette zich tegen machtige adellijke groepen en het toenmalige bestuur. Ook in Biar was er steun voor deze opstand, wat na de nederlaag leidde tot straffen en financiële lasten voor de gemeente.
Een heel andere keuze maakte Biar tijdens de Spaanse Successieoorlog aan het begin van de achttiende eeuw. In deze oorlog streden de aanhangers van de Franse Bourbonprins Felipe en de Oostenrijkse aartshertog Karel om de Spaanse troon. Een groot deel van het voormalige Koninkrijk Valencia koos voor de Oostenrijkse kandidaat, maar Biar bleef trouw aan Felipe V. De plaats moest daardoor aanvallen en druk van tegenstanders weerstaan.
Na de overwinning van Felipe V werd de trouw van Biar beloond. De gemeente mocht zich voortaan aanduiden als Muy Noble, Leal y Siempre Fidelísima Real Villa de Biar. In het Nederlands betekent dit ongeveer: zeer edele, trouwe en altijd uiterst getrouwe koninklijke gemeente Biar. Zulke titels klinken tegenwoordig plechtig, maar vormden destijds een belangrijke erkenning van de positie en loyaliteit van een plaats. Ze werden onderdeel van het officiële zelfbeeld van Biar en keren nog steeds terug in historische publicaties en plaatselijke toespraken.
De achttiende en negentiende eeuw brachten ook bestuurlijke veranderingen. Cañada, Campo de Mirra en Beneixama hadden lange tijd tot het grote grondgebied van Biar behoord, maar werden uiteindelijk zelfstandige gemeenten. Daardoor werd het bestuurlijke gebied van Biar kleiner en veranderden oude economische en sociale verbanden. Politieke onrust, de napoleontische oorlogen, de Carlistenoorlogen en economische tegenslagen hadden eveneens invloed op het dagelijks leven, al bleef het dorp zelf herkenbaar als agrarische en ambachtelijke gemeenschap.
Spoorweg brengt de nieuwe tijd
Aan het einde van de negentiende eeuw bereikte de modernisering ook Biar. In 1884 werd het eerste deel geopend van de smalspoorlijn tussen Villena en Banyeres de Mariola. De spoorlijn zou later verder worden uitgebreid richting Alcoy, Yecla, Jumilla en Cieza. Het treintje werd bekend als de Chicharra, in het Valenciaans de Xixarra. De bijnaam verwees waarschijnlijk naar het monotone geluid van de kleine locomotieven, dat deed denken aan het geluid van cicaden.
Voor Biar betekende de spoorweg een grote verandering. Keramiek, landbouwproducten, hout en andere goederen konden sneller naar markten en grotere spoorlijnen worden vervoerd. Bewoners kregen gemakkelijker toegang tot Villena en andere plaatsen langs de route. De trein bracht post, bezoekers, arbeiders en nieuwe ideeën. Reizen bleef langzaam naar moderne maatstaven, maar was betrouwbaarder en comfortabeler dan veel vervoer over onverharde wegen.
De spoorlijn kreeg in de twintigste eeuw steeds meer concurrentie van vrachtwagens, bussen en particuliere auto’s. De exploitatie werd financieel moeilijker en in 1969 reed de Chicharra voor het laatst. Spoorstaven en verschillende metalen brugdelen verdwenen, maar delen van het tracé bleven herkenbaar in het landschap. Een gedeelte van de oude route is later ingericht als de Vía Verde del Chicharra, een groene wandel- en fietsverbinding tussen Biar, Villena en Las Virtudes. Daarmee kreeg een onderdeel van de industriële geschiedenis een nieuwe recreatieve functie.
De twintigste eeuw bracht elektriciteit, verbeterde wegen, moderne scholen, gezondheidszorg en nieuwe werkgelegenheid. De landbouw verloor haar rol als vrijwel enige bestaansbron. Bewoners gingen werken in industriegebieden rond Villena, Castalla, Ibi, Alcoy en andere gemeenten. Biar bleef echter kleiner en minder sterk verstedelijkt dan veel plaatsen aan de kust. Daardoor werden het historische centrum, het kasteel en het landschap niet volledig verdrongen door grootschalige nieuwbouw.
Erfgoed leeft verder
De Spaanse Burgeroorlog en de moeilijke jaren daarna lieten ook in Biar sporen achter. Families kregen te maken met verdeeldheid, schaarste en politieke onderdrukking. In de tweede helft van de twintigste eeuw verbeterden de levensomstandigheden geleidelijk. Waterleidingen, riolering, betere woningen, vervoer en nieuwe voorzieningen veranderden het dagelijkse leven. Tegelijk nam de bevolking niet zo explosief toe als in de toeristische kuststrook. Biar bleef daardoor een kleine plaats met een opvallend goed herkenbare historische kern.
Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw kwam er meer aandacht voor bescherming en restauratie. Het kasteel werd op verschillende momenten verstevigd en toegankelijk gemaakt. Ook de kerk, het aquaduct, traditionele huizen en kleinere erfgoedelementen kregen bescherming. Het Etnografisch Museum verzamelde gereedschappen, keramiek, kleding, huishoudelijke voorwerpen en andere herinneringen aan het vroegere leven. Daardoor wordt niet alleen de geschiedenis van koningen en oorlogen bewaard, maar ook die van boeren, pottenbakkers, winkeliers, spoorwegmedewerkers en gezinnen.
De feesten van Moren en Christenen houden de middeleeuwse grensgeschiedenis op een herkenbare manier levend. De optochten zijn geen letterlijke reconstructie van de gebeurtenissen uit 1245, maar verbinden het dorp wel met de herinnering aan de islamitische en christelijke perioden. Muziekverenigingen, feestgroepen, kostuums en de verering van de Mare de Déu de Gràcia maken van deze dagen een belangrijk onderdeel van de plaatselijke identiteit. Ook de Festa del Rei Pàixaro rond januari bewaart gebruiken die generaties lang zijn doorgegeven.
De geschiedenis van Biar is daardoor niet opgesloten in het kasteel of in een museumzaal. Zij blijft zichtbaar in de hoogteverschillen van de oude straten, de gekruiste sleutels op het gemeentewapen, de klokken van de parochiekerk, het aquaduct, de keramiek en het oude spoortracé. Het dorp is gemoderniseerd, maar het verleden bepaalt nog steeds hoe Biar zichzelf presenteert en hoe inwoners de plaats beleven.
Meer informatie over de bergachtige omgeving, bereikbaarheid en huidige kenmerken van de gemeente staat in het artikel over de ligging en het karakter van Biar. Wie het kasteel, de oude straten, kerk, musea en andere bezienswaardigheden zelf wil ontdekken, kan verder lezen over toerisme en bezienswaardigheden in Biar. Samen laten deze onderwerpen zien waarom Biar niet alleen een mooi historisch dorp is, maar ook een plaats waar verschillende eeuwen nog opvallend dicht naast elkaar bestaan.
Dit artikel is voor het laatst bijgewerkt op 14 juli 2026.