Geschiedenis van Vall de Gallinera

Oude stenen ruïne als historisch erfgoed in Vall de Gallinera

Prehistorie in Vall de Gallinera

Vall de Gallinera, officieel en in het Valenciaans La Vall de Gallinera, ligt in de Marina Alta en heeft een geschiedenis die veel verder teruggaat dan de dorpen die tegenwoordig in de vallei liggen. Archeologisch onderzoek laat zien dat mensen dit bergachtige gebied al duizenden jaren vóór de islamitische periode gebruikten. De oudste bekende aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid dateren uit het Laat-Paleolithicum, ongeveer 25.000 tot 8.000 voor Christus. Daarmee begint de geschiedenis van Vall de Gallinera niet bij middeleeuwse kastelen of Moriscos, maar bij jagers en verzamelaars die tussen deze bergen leefden.

Een belangrijke vindplaats is de Cova d’en Pardo, een grot bij de grens met Planes. Daar zijn materialen aangetroffen uit verschillende perioden van de prehistorie. Naast resten uit het Laat-Paleolithicum zijn er vondsten uit het Epipaleolithicum, het Neolithicum en de kopertijd, ook wel het Eneolithicum genoemd. Dat wijst erop dat mensen deze omgeving gedurende zeer lange perioden opnieuw gebruikten. Ook in de Cova de l’Àguila en de Cova del Passet zijn voorwerpen uit het Neolithicum gevonden.

De bergen boden voedsel, beschutting en natuurlijke doorgangen tussen het binnenland en de kust. Vall de Gallinera vormt namelijk een natuurlijke corridor tussen het huidige Alcoià en Comtat enerzijds en de Marina Alta anderzijds. Dat maakte het gebied al lang voordat er moderne wegen bestonden aantrekkelijk voor mensen die door de bergen trokken, jaagden of zich hier tijdelijk of permanent vestigden.

Tijdens de bronstijd, grofweg tussen 2000 en 1000 voor Christus, zijn er aanwijzingen voor bewoning bij onder andere La Foradada en het Castellot d’Alpatró. Deze hoger gelegen plekken boden overzicht over het landschap en waren daardoor geschikt voor nederzettingen in een tijd waarin veiligheid, water en toegang tot landbouwgrond belangrijke factoren waren.

Rotstekeningen bewaren verre verleden

Een van de meest bijzondere historische schatten van Vall de Gallinera is de prehistorische rotskunst. In de Serra de l’Almirant zijn maar liefst zeventien rotsschuilplaatsen met prehistorische schilderingen bekend. Voor Nederlandse en Belgische bezoekers wordt hiervoor vaak de term rotstekeningen gebruikt, al gaat het meestal om schilderingen op natuurlijke rotswanden.

Rond Benirrama en Benialí bevinden zich verschillende belangrijke vindplaatsen. De schilderingen behoren tot meerdere artistieke tradities, waaronder Levantijnse, schematische en macro-schematische rotskunst. Vooral dat laatste type is bijzonder. Macro-schematische rotskunst komt slechts in een relatief klein gebied van de huidige provincies Alicante en Valencia voor en vormt daardoor een zeer karakteristiek onderdeel van de prehistorie van deze streek.

De afbeeldingen laten onder meer menselijke figuren, dieren en symbolische motieven zien. Sommige voorstellingen houden verband met jacht, andere zijn moeilijker te interpreteren. Hun exacte betekenis kennen we niet meer. Juist daarin schuilt een deel van hun aantrekkingskracht: duizenden jaren geleden stonden mensen op dezelfde plekken in deze bergen en lieten er beelden achter waarvan wij vandaag slechts voorzichtig kunnen proberen de betekenis te begrijpen.

De rotsschuilplaats van Benirrama werd in 1977 bekend bij onderzoekers. In 1993 werd het kwetsbare erfgoed zwaar getroffen door plundering. Verschillende figuren werden uit de rots gesneden en verdwenen. Het incident maakte duidelijk hoe kwetsbaar rotskunst is en hoe belangrijk bescherming en voorlichting zijn.

De prehistorische rotskunst aan de mediterrane zijde van het Iberisch Schiereiland staat sinds 1998 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Vall de Gallinera maakt deel uit van dat uitzonderlijke erfgoed. Sinds 2023 heeft de gemeente bovendien een interpretatiecentrum voor rotskunst, waarmee bezoekers meer kunnen leren over de vindplaatsen zonder de kwetsbare schilderingen onnodig te belasten.

Voor wie de geschiedenis van Vall de Gallinera wil begrijpen is dit een belangrijke aanvulling. De vallei is geen landschap dat pas tijdens de middeleeuwen werd ontdekt. Mensen trokken hier al duizenden jaren rond voordat de eerste namen van dorpen op schrift verschenen.

Iberiërs en Romeinen

Vanaf ongeveer de zesde eeuw voor Christus wordt de Iberische cultuur zichtbaar in het archeologische bestand van Vall de Gallinera. Een van de belangrijkste vindplaatsen uit die periode is het poblat del Xarpolar, een oude nederzetting op een strategische hoogte. Ook het Castellot d’Alpatró, de Cova de l’Esbarzer en opnieuw de Cova d’en Pardo hebben sporen uit de Iberische periode opgeleverd.

De Iberiërs leefden in een wereld waarin landbouw, veeteelt, handel en controle over natuurlijke routes belangrijk waren. Hoge nederzettingen boden uitzicht over de doorgangen tussen bergen. De ligging van Vall de Gallinera als corridor richting de kust maakte het gebied daardoor ook vóór de Romeinse tijd interessant.

Uit de Romeinse en laat-Romeinse periode, ongeveer van de eerste tot en met de zevende eeuw, zijn eveneens sporen gevonden, maar de bekende nederzettingen lijken hier kleiner en minder belangrijk te zijn geweest dan in veel kustgebieden. Dat is logisch: Romeinse handelsroutes, havens en grotere landbouwbedrijven concentreerden zich vooral in toegankelijkere gebieden. De bergvallei bleef waarschijnlijk dunner bevolkt.

Toch verdween de menselijke aanwezigheid niet. Routes door de bergen bleven bruikbaar, landbouw bleef mogelijk en waterbronnen bleven bepalend voor waar mensen konden leven. De verschillende archeologische lagen tonen daarmee een voortdurend patroon: Vall de Gallinera lag afgelegen, maar nooit volledig buiten de wereld eromheen.

Islamitische vallei krijgt vorm

De periode die het uiterlijk en de namen van Vall de Gallinera misschien wel het sterkst heeft gevormd, begon na de komst van islamitische machthebbers op het Iberisch Schiereiland vanaf de achtste eeuw. Gedurende de eeuwen van Al-Andalus ontwikkelde zich in de vallei een netwerk van kleine agrarische nederzettingen, in het Arabisch vaak aangeduid als alquerías.

Een alquería was een kleine landelijke nederzetting of gehucht, meestal nauw verbonden met landbouwgrond. Het woord leeft in Spanje nog altijd voort in plaatsnamen en in het Spaanse woord alquería. De bewoners leefden niet in één grote plaats, maar verspreid over verschillende kleine gemeenschappen langs de vallei.

De vele plaatsnamen die met Beni- beginnen herinneren nog altijd aan deze islamitische geschiedenis. Het element Beni kan in plaatsnamen verwijzen naar een familie, afstammingsgroep of clan. Benirrama, Benialí, Benissivà, Benitaia en Benissili dragen die geschiedenis letterlijk in hun naam.

De islamitische bewoners ontwikkelden een landschap waarin landbouw op steile hellingen mogelijk werd gemaakt door terrassen. Met stenen muren werden stukken helling vlak gemaakt, waardoor grond werd vastgehouden en regenwater minder snel wegspoelde. Water uit bronnen en natuurlijke afwatering werd zorgvuldig gebruikt. Veel structuren die nu als schilderachtig worden ervaren, waren oorspronkelijk vooral praktische oplossingen voor voedselproductie in moeilijk bergterrein.

Archiefonderzoek laat zien dat er gedurende de middeleeuwen aanzienlijk meer nederzettingen in de vallei lagen dan de acht kernen die tegenwoordig worden genoemd. Afhankelijk van de onderzochte periode worden ongeveer twintig of zelfs eenentwintig alquerías en gehuchten vermeld. Niet al deze nederzettingen bestonden tegelijkertijd of bleven permanent bewoond.

Voor de periode vlak voor de uitwijzing van de Moriscos in 1609 noemt lokaal historisch onderzoek onder meer dertien nederzettingen. Naast namen die tegenwoordig nog herkenbaar zijn, zoals Benissivà, Benitaia, Alpatró, La Carroja, Llombai en Benissili, bestonden gehuchten als Benimarsoc, Benistrop en La Solana. Andere namen zijn uiteindelijk vrijwel volledig uit het dagelijks landschap verdwenen.

Al-Azraq tegenover Jaume I

Historisch erfgoed in het berglandschap van Vall de Gallinera

De dertiende eeuw bracht een ingrijpende politieke verandering. Tijdens de uitbreiding van de Kroon van Aragón veroverde koning Jaume I, in het Spaans Jaime I, grote delen van het islamitische Valenciaanse gebied. Vall de Gallinera stond op dat moment onder invloed van de beroemde islamitische leider al-Azraq.

Al-Azraq betekent ongeveer “de Blauwe”. In populaire verhalen wordt dat soms aan blauwe ogen gekoppeld, maar historische zekerheid daarover bestaat niet. Hij was een lokale Andalusische machthebber met kastelen en invloed in de berggebieden van het huidige noorden van Alicante.

Een van de belangrijkste documenten uit deze periode is het Pacte del Pouet uit 1245. Al-Azraq maakte daarin afspraken met de christelijke zijde over verschillende kastelen en gebieden. Tot de forten die in dit politieke spel een rol speelden behoorden het Castell d’Alcalà en het Castell de Gallinera. Het akkoord betekende geen langdurige vrede.

Rond november 1247 begon al-Azraq een gewapende opstand tegen het christelijke gezag. De moeilijk toegankelijke bergen gaven hem en zijn aanhangers een belangrijk strategisch voordeel. Jaume I wist de weerstand uiteindelijk in 1258 te breken. Daarmee werd de christelijke macht in dit deel van het huidige Alicante aanzienlijk sterker.

Al-Azraq keerde jaren later terug. In 1276 brak opnieuw een opstand uit, maar hij bereikte Vall de Gallinera niet meer. Op 5 mei 1276 kwam hij om bij gevechten voor Alcoi terwijl hij onderweg was naar het berggebied waar opstandelingen hem verwachtten. Zijn dood maakte hem tot een van de bekendste historische figuren uit de middeleeuwse geschiedenis van Alicante.

De strijd was daarmee nog niet onmiddellijk voorbij. Onder koning Pere III, de zoon van Jaume I, werd de opstand in 1277 en 1278 verder onderdrukt. In 1279 bevestigde Pere III vervolgens officieel de aanwezigheid van moslimbevolking in verschillende valleien van het binnenland rond Dénia, waaronder Gallinera en Alcalà. De politieke macht was christelijk geworden, maar de bevolking bleef voor een belangrijk deel islamitisch.

Twee kastelen bewaken de vallei

De middeleeuwse geschiedenis van Vall de Gallinera is sterk verbonden met twee grote verdedigingspunten: het Castell de Gallinera, bij Benirrama, en het Castell d’Alcalà, tegenwoordig ook bekend als het Castell de Benissili.

Het Castell de Gallinera bewaakte de oostelijke toegang van de vallei richting Pego en de kustvlakte. De ruïne ligt op een strategische hoogte en paste in een veel groter verdedigingssysteem. Het kasteel werd in de tijd van al-Azraq gebruikt en bleef ook onder christelijke heerschappij van betekenis.

Aan de westkant van de vallei ligt het Castell d’Alcalà, op ongeveer 785 meter hoogte. De vesting controleerde de natuurlijke doorgang tussen de kuststreek rond Dénia en het binnenland richting het Comtat en Cocentaina. Wie vanaf de kasteelruïne over het landschap kijkt, begrijpt direct waarom juist deze plek militair aantrekkelijk was.

Het woord Alcalà is afgeleid van het Arabische al-qal’a, dat fort of vesting betekent. Het kasteel bestond uit verschillende verdedigingszones, waaronder een grote buitenruimte en een hoger gelegen versterkte kern. In Spaanse historische beschrijvingen worden daarvoor woorden als albacara en celoquia gebruikt. Voor Nederlandse en Belgische lezers kan dat het best worden uitgelegd als respectievelijk een grote ommuurde buitenruimte en de sterker verdedigde citadel.

Het Castell d’Alcalà wordt sterk geassocieerd met al-Azraq en vormde een belangrijk centrum van zijn macht. Daardoor is het niet alleen een ruïne voor wandelaars, maar ook een sleutelplek om de middeleeuwse geschiedenis van de hele regio te begrijpen.

Wie tegenwoordig naar de ruïnes wandelt, ziet geen compleet gerestaureerd kasteel. Muren, waterreservoirs en verdedigingsresten liggen tussen rotsen en begroeiing. Juist dat maakt de plek indrukwekkend: de vesting lijkt nog altijd onderdeel van de berg waarop zij werd gebouwd.

Feodale heren verdelen Gallinera

Na de christelijke verovering werd het gebied niet direct één bestuurlijke eenheid zoals de huidige gemeente. De vallei werd verdeeld in verschillende feodale heerlijkheden die verbonden waren met kastelen en adellijke families.

Het grootste deel van Gallinera en ook Vall d’Ebo werd georganiseerd rond het Castell de Gallinera. De westelijke zone rond Benissili viel daarentegen onder het Castell d’Alcalà en bleef lange tijd bestuurlijk verbonden met de naburige Vall d’Alcalà.

Door de eeuwen heen wisselden de heren. Gallinera en Ebo kwamen onder invloed van leden van de koninklijke familie en verschillende adellijke geslachten. Tussen 1487 en 1491 kwamen deze heerlijkheden uiteindelijk in handen van de beroemde familie Borja, internationaal beter bekend als de Borgia’s.

Benissili volgde een andere bestuurlijke weg. Het gebied Alcalà-Benissili kwam uiteindelijk onder de familie Català de Valleriola. Daardoor bleef Benissili nog eeuwenlang juridisch gescheiden van het grootste deel van Vall de Gallinera.

Voor gewone bewoners betekenden deze bestuurlijke verschillen vooral dat zij te maken kregen met belastingen, pacht, gebruiksrechten en verplichtingen tegenover hun heer. Wie landbouwgrond bewerkte was dus niet alleen afhankelijk van regen, oogst en beschikbare arbeidskracht, maar ook van een feodaal systeem waarin een deel van de opbrengsten moest worden afgestaan.

De huidige gemeentegrens laat dit historische verschil nauwelijks nog zien. Toch verklaart deze geschiedenis waarom Benissili in oude documenten vaak apart wordt behandeld en waarom de westkant van de vallei een eigen bestuurlijk verleden heeft.

Moslims worden Moriscos

De islamitische bevolking verdween na de dertiende-eeuwse verovering niet onmiddellijk. Veel moslims bleven generaties lang in de vallei wonen onder christelijk bestuur. Zij worden in historische teksten mudéjares genoemd: moslims die onder christelijke heerschappij hun geloof en veel van hun gebruiken behielden.

In de zestiende eeuw nam de religieuze druk sterk toe. Tussen 1519 en 1526 werden moslims in het koninkrijk Valencia gedwongen zich officieel tot het christendom te bekeren. Vanaf dat moment spreken historici vooral over Moriscos: mensen van islamitische afkomst die formeel christen waren geworden, vaak zonder dat die bekering vrijwillig was.

Dat verschil tussen mudéjares en Moriscos kan voor Nederlandse en Belgische lezers verwarrend zijn. Kort gezegd: een mudéjar was een moslim onder christelijk bestuur; een Morisco was iemand uit diezelfde bevolkingsgroep die officieel christen was geworden.

De kerk probeerde het gebied vervolgens sterker te organiseren. In 1534 en 1535 werd een netwerk van nieuwe parochies opgezet in gebieden met grote Moriscogemeenschappen. Voor deze bergvalleien ontstonden onder meer kerkelijke centra in Jovada, Ebo, Benirrama en Alpatró.

In 1575 werd bovendien een aparte parochie in Benissivà gevormd, met verschillende omliggende gehuchten als onderhorige nederzettingen. Daarmee kreeg de katholieke kerk steeds meer aanwezigheid in dorpen waar islamitische tradities nog lang waren blijven bestaan.

De overgang verliep allesbehalve eenvoudig. Historische kerkelijke inspecties tonen dat islamitische gebruiken en namen tientallen jaren na de officiële bekering nog steeds voorkwamen. Oude moskeeën behielden grond en religieuze leiders bleven invloed houden. Vanaf de laatste decennia van de zestiende eeuw werd de druk om islamitische zichtbaarheid te verwijderen verder opgevoerd.

Tussen ongeveer 1578 en 1597 werd opdracht gegeven verschillende moskeeën te slopen wanneer zij niet tot kerk konden worden omgebouwd. Daarmee veranderde het religieuze landschap van Vall de Gallinera steeds zichtbaarder. De huidige kleine kerken staan dus in een veel langer verhaal van geloof, dwang, aanpassing en veranderende macht.

Uitwijzing maakt de vallei leeg

De zwaarste breuk kwam in 1609. Op 22 september van dat jaar werd op bevel van koning Filips III het decreet bekendgemaakt waarmee de Moriscos uit het koninkrijk Valencia moesten vertrekken. Voor Vall de Gallinera waren de gevolgen uitzonderlijk groot.

Lokale historische bronnen schatten dat vrijwel de gehele bevolking van de vallei op dat moment uit Moriscos bestond. Waar andere plaatsen een gemengde bevolking hadden, betekende de uitwijzing hier dus dat bijna een complete samenleving verdween.

Families moesten hun huizen en grond achterlaten. De gedwongen migratie naar Noord-Afrika betekende het einde van gemeenschappen waarvan veel families al generaties of eeuwen in de vallei woonden. Voor hen was Vall de Gallinera geen tijdelijk verblijf, maar hun thuis.

De gevolgen waren economisch onmiddellijk voelbaar. De landbouwterrassen moesten onderhouden worden, boomgaarden verzorgd en waterstructuren vrijgehouden. Zonder bewoners leverden de eigendommen van de feodale heren nauwelijks iets op. Een landschap dat afhankelijk was van voortdurende menselijke arbeid dreigde snel achteruit te gaan.

De uitwijzing veranderde ook het nederzettingspatroon. Voor de middeleeuwse periode zijn door de eeuwen heen veel meer gehuchten bekend dan tegenwoordig. Vlak voor de uitwijzing bestond de vallei nog uit een groot aantal kleine nederzettingen. Na 1609 werden sommige opnieuw bewoond, maar andere verdwenen voorgoed.

Namen als Benimarsoc, Benistrop, L’Alcúdia en La Solana herinneren aan plekken die ooit onderdeel waren van het dagelijkse leven. Soms zijn nog muren, bronnen of veldnamen over. Elders is nauwelijks zichtbaar dat er ooit een dorpje heeft gestaan.

Dat maakt het landschap van Vall de Gallinera bijzonder. De acht bekende kernen zijn slechts het zichtbare deel van een veel groter historisch netwerk van nederzettingen.

Mallorcanen bevolken Gallinera opnieuw

Berg- en dorpslandschap in Vall de Gallinera met eeuwenoude bewoningsgeschiedenis

Na de uitwijzing moesten de landeigenaren snel nieuwe bewoners vinden. De zevende hertog van Gandía, Carles de Borja i Centelles, had er groot economisch belang bij dat de landbouwproductie opnieuw op gang kwam. Een belangrijk deel van de oplossing werd gevonden op de Balearen, en vooral op Mallorca.

Daar was landbouwgrond schaars en bestond onder jonge gezinnen belangstelling voor nieuwe mogelijkheden. Vanuit verschillende plaatsen op Mallorca vertrokken families naar het Valenciaanse vasteland. De Marina Alta werd een van de belangrijkste bestemmingen van deze migratie.

Vall de Gallinera werd daardoor een van de bekendste voorbeelden van de Mallorcaanse herbevolking van het zuiden van het Valenciaanse gebied. De migranten kwamen onder meer uit Puigpunyent, Santa Margalida, Andratx, Llucmajor, Artà en Muro. Een kleiner aantal kwam vanuit andere delen van de Balearen, waaronder Ibiza en Menorca.

Het proces was niet zo eenvoudig als het neerzetten van nieuwe gezinnen in lege huizen. Sommige nieuwkomers vertrokken na korte tijd weer omdat de omstandigheden tegenvielen of omdat elders aantrekkelijker grond beschikbaar was. Gedurende tientallen jaren bleven gezinnen komen, vertrekken en zich verplaatsen tussen verschillende valleien.

Historisch onderzoek heeft ongeveer 257 Mallorcaanse families gedocumenteerd die in de eerste helft van de zeventiende eeuw op enig moment in verband stonden met de herbevolking van Vall de Gallinera. Lang niet allemaal bleven permanent. Uiteindelijk vestigde zich een veel kleinere groep duurzaam in de vallei.

Dat er toch een sterke Mallorcaanse identiteit ontstond, kwam mede doordat complete families en groepen uit dezelfde dorpen zich samen vestigden. Ze trouwden vaak onderling en brachten hun eigen woorden, familienamen, religieuze gebruiken en gerechten mee. Zo ontstonden hechte gemeenschappen die zich gemakkelijker konden aanpassen aan een afgelegen berggebied.

Carta de Poblament van 1611

Een sleutelmoment vond plaats op 10 juni 1611. In Benialí werd die dag de Carta de Poblament van Vall de Gallinera ondertekend. Zo’n bevolkingscharter was een contract tussen de feodale heer en nieuwe kolonisten waarin werd vastgelegd onder welke voorwaarden zij huizen en landbouwgrond mochten gebruiken.

De overeenkomst werd gesloten tussen Carles de Borja i Centelles, hertog van Gandía, markies van Llombai, graaf van Oliva en heer van Gallinera en Ebo, en 79 gezinshoofden uit de Balearen.

Dat document is belangrijk omdat het laat zien dat herbevolking niet betekende dat gezinnen gratis eigenaar werden van alles wat verlaten was. De nieuwe bewoners kregen rechten, maar ook verplichtingen. Ze moesten belastingen en delen van hun landbouwopbrengst afstaan en waren voor verschillende diensten afhankelijk van rechten die de heer voor zichzelf behield.

Zo bepaalde de overeenkomst onder andere regels rond bossen, bomen en brandhout. Ook moest een deel van het geteelde graan worden afgestaan. Winkels, tavernes, bakovens, bakkerijen en slagerijen konden bovendien onder feodale rechten vallen.

Voor moderne lezers klinkt dat zwaar, en dat was het ook. De nieuwe bevolking had grond nodig en de heren hadden boeren nodig. Daardoor ontstond een samenleving waarin beide partijen elkaar nodig hadden, maar waarin de machtsverhouding duidelijk in het voordeel van de landeigenaar lag.

Toch legde juist deze herbevolking de basis voor veel families die Vall de Gallinera eeuwenlang zouden blijven bevolken. Familienamen en taalsporen uit die tijd zijn nog steeds herkenbaar.

Ook in het lokale Valenciaans bleef een Mallorcaanse invloed bestaan. Sommige woorden en uitspraakvormen verschillen van die in omliggende gebieden. Niet alle Mallorcaanse kenmerken bleven behouden, maar de historische band wordt in de vallei nog altijd bewust gekoesterd.

Zelfs in de keuken zijn sporen zichtbaar. Producten als sobrassada, de bekende zachte gekruide worst die sterk met Mallorca wordt geassocieerd, kregen ook in delen van de Marina Alta een plaats in lokale tradities.

Nieuwe dorpen op oude lagen

De Mallorcaanse nieuwkomers begonnen niet op een leeg stuk grond. Zij namen een landschap over dat generaties lang door islamitische en Moriscobewoners was gevormd. Wegen, terrassen, waterstructuren, bronnen en veel nederzettingslocaties bestonden al.

Daardoor is het onjuist om te spreken van een volledig nieuw Vall de Gallinera na 1609. De bevolking was grotendeels nieuw, maar het fysieke landschap was ouder. De nieuwe bewoners repareerden, hergebruikten en veranderden wat zij aantroffen.

Smalle historische dorpsstraat met bergwand in Vall de Gallinera

De nederzettingen werden daarbij opnieuw geselecteerd. Sommige oude gehuchten bleken praktischer dan andere. Ligging bij water, beschikbare landbouwgrond en bereikbaarheid speelden mee. Een deel van de vroegere woonplaatsen verdween daardoor definitief.

Benissivà vormt een interessant voorbeeld. De herbevolking daar kwam later op gang dan in sommige andere delen van de vallei. Pas tegen het einde van de zeventiende eeuw ontwikkelde de kern zich opnieuw sterker.

Benissili bleef bovendien bestuurlijk apart. Omdat het historisch bij de heerlijkheid Alcalà hoorde, werd het pas rond 1838 opgenomen in de constitutionele gemeente Vall de Gallinera. De acht kernen die tegenwoordig gezamenlijk als Vall de Gallinera worden gepresenteerd, kregen dus pas relatief laat hun huidige bestuurlijke samenhang.

Wie nu door de smalle straten loopt, ziet op het eerste gezicht vooral rustige huizen en kleine kerken. Toch zijn deze dorpen het resultaat van eeuwen waarin nederzettingen verdwenen, opnieuw werden bevolkt, samengevoegd en bestuurlijk veranderden.

Boeren komen in opstand

De herbevolking herstelde de landbouw, maar daarmee verdwenen de spanningen niet. De feodale verplichtingen drukten zwaar op boerenfamilies. Naarmate grond door erfenissen verder werd verdeeld, moest een gezin soms van steeds kleinere percelen rondkomen terwijl verschillende lasten bleven bestaan.

In 1693 kwam het in delen van het Valenciaanse gebied tot een grote anti-feodale boerenopstand die bekendstaat als de Tweede Germania. Benissili wordt in lokale historische bronnen genoemd als een van de plekken waar het georganiseerde verzet tegen de feodale omstandigheden zichtbaar was.

Voor Nederlandse en Belgische lezers is het woord Germania hier verwarrend: het heeft niets met Duitsland te maken. In Valencia verwees het naar georganiseerde broederschappen en later naar opstanden tegen bestaande machtsverhoudingen.

De boeren verzetten zich vooral tegen de lasten en privileges van de adel. Het conflict laat zien dat de herbevolking van de zeventiende eeuw geen romantisch verhaal was van families die eenvoudig nieuwe grond kregen. Het bleef een feodale samenleving waarin boeren een groot deel van hun economische vrijheid moesten bevechten.

Successieoorlog treft de dorpen

De achttiende eeuw begon onrustig met de Spaanse Successieoorlog. In het koninkrijk Valencia koos een belangrijk deel van de bevolking de zijde van aartshertog Karel van Oostenrijk tegenover de Bourbonse kandidaat Filips van Anjou, de latere Filips V.

Ook Vall de Gallinera werd in het conflict betrokken. Er zijn historische aanwijzingen dat de bekende Valenciaanse militaire leider Joan Baptista Basset in de vallei verbleef. Ook het franciscaner klooster bij Benitaia speelde in deze periode een rol als verblijfplaats.

De oorlog had tastbare gevolgen. In november 1707 trokken troepen de vallei binnen nadat inwoners naar de bergen waren gevlucht. Historische correspondentie vermeldt dat ongeveer veertig huizen door brand werden getroffen. Bewoners keerden na het vertrek van de militairen terug en probeerden zoveel mogelijk woningen te herstellen.

Naast directe schade werden de dorpen belast met bijdragen voor troepen. Voor een arme agrarische samenleving waren zulke betalingen moeilijk op te brengen. De oorlog versterkte daardoor bestaande frustraties over belastingen en feodale rechten.

De gebeurtenissen laten zien waarom de bergen tegelijkertijd bescherming en kwetsbaarheid boden. Bewoners konden bij gevaar hoger terrein opzoeken, maar de dorpen en landbouwgronden bleven achter en konden door legers worden geplunderd of beschadigd.

Achttiende eeuw brengt herstel

Ondanks de moeilijke start groeide Vall de Gallinera gedurende de achttiende eeuw opnieuw. De bevolking nam toe en steeds meer hellingen werden door landbouwterrassen benut. Op sommige plekken liepen de stenen terrassen bijna tot aan de hogere bergzones.

In 1762 schreef de priester Josep Guillem van Benissivà een uitvoerige lokale beschrijving die veel informatie heeft bewaard over parochie, gebruiken en dagelijks leven. Zulke documenten zijn voor historici waardevol omdat zij niet alleen grote politieke gebeurtenissen behandelen, maar juist laten zien hoe mensen in de dorpen leefden.

Een andere belangrijke bezoeker was de Valenciaanse natuuronderzoeker en geestelijke Antonio José Cavanilles. Hij bezocht Vall de Gallinera in 1792 tijdens zijn reizen door het koninkrijk Valencia.

Cavanilles was onder de indruk van het intensief gebruikte landschap. Hij beschreef een oneffen, door ravijnen doorsneden gebied dat toch vol kleine nederzettingen en bomen stond. Vooral de manier waarop vrijwel iedere bruikbare plek voor landbouw werd benut viel hem op.

Interessant is dat hij aan het einde van de achttiende eeuw ook al kersen vermeldde. De kers is dus geen moderne introductie die pas door toeristische marketing belangrijk werd. Ze maakte eeuwen geleden al deel uit van de landbouwproductie van de vallei.

Daarmee ontstaat een herkenbaar beeld: het landschap dat bezoekers nu bewonderen is grotendeels het resultaat van enorme hoeveelheden menselijke arbeid. Terrasmuren moesten steen voor steen worden opgebouwd en onderhouden. Bomen moesten worden geplant, gesnoeid en geoogst. Bronnen en paden moesten bruikbaar blijven.

Negentiende eeuw verandert Gallinera

De negentiende eeuw betekende het einde van veel oude feodale structuren. Heerlijkheidsrechten verdwenen geleidelijk en de moderne gemeentelijke organisatie kreeg steeds duidelijker vorm. Benissili werd rond 1838 onderdeel van de gemeente Vall de Gallinera, waardoor de bestuurlijke eenheid ontstond die beter aansluit bij het huidige beeld van de vallei.

Ook het franciscaner klooster bij Benitaia verloor zijn religieuze functie. Tijdens de negentiende-eeuwse onteigening van kerkelijke bezittingen werd het klooster opgeheven en verkocht. Het complex besloeg ongeveer twee hectare en kwam uiteindelijk in particuliere handen.

Van het klooster zelf is tegenwoordig nog maar weinig over. Toch is de locatie beroemd gebleven door de relatie met de Penya Foradà en de bijzondere zonne-uitlijning waarbij zonlicht door de opening in de rots richting het voormalige klooster valt.

Over het directe verloop van de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog van 1808 tot 1814 in Vall de Gallinera is opvallend weinig gedetailleerde lokale informatie bekend. Het is daarom beter om niet te suggereren dat hier grote veldslagen plaatsvonden. De oorlog beïnvloedde vanzelfsprekend de regio, maar het lokale verloop wacht op verdere historische studie.

Een veel beter gedocumenteerde ramp vond plaats in 1885, toen cholera Vall de Gallinera trof. De gemeente telde toen 1.969 inwoners. Van hen overleden volgens lokale historische gegevens 112 mensen tijdens de epidemie.

Dat cijfer maakt duidelijk hoe zwaar een besmettelijke ziekte een kleine en relatief geïsoleerde gemeenschap kon treffen. De woonomstandigheden hielpen niet. Veel huizen waren klein, slecht geventileerd en hadden eenvoudige sanitaire voorzieningen. Water werd uit putten gehaald en grote stukken wasgoed werden gezamenlijk bij dorpswasplaatsen gewassen.

Die wasplaatsen, tegenwoordig geliefd als pittoresk erfgoed, hadden toen een strikt praktische functie. Ze waren plekken waar bewoners water haalden, kleding wasten en elkaar ontmoetten. In tijden van besmettelijke ziekten konden gedeelde waterpunten echter ook gezondheidsrisico’s vergroten.

De acht kernen die wij nu kennen waren in 1885 allemaal al herkenbaar aanwezig: Benirrama, Benialí, Benissivà, Benitaia, La Carroja, Alpatró, Llombai en Benissili. Andere vroegere gehuchten zoals La Solana en L’Alcúdia waren tegen die tijd verdwenen.

Dagelijks leven bleef eenvoudig

Tot ver in de negentiende en zelfs twintigste eeuw bleef het leven voor veel gezinnen sober. Huizen bestonden vaak uit twee verdiepingen en waren gebouwd van lokale kalksteen met mortel van kalk en zand. In rijkere woningen kon nog een extra verdieping of opslagruimte aanwezig zijn.

De benedenverdieping was het hart van het huishouden. Hier werd gekookt, gegeten en in de winter rond het vuur gezeten. Dieren waren nooit ver weg. Een stal of achterruimte kon plaats bieden aan een ezel, geit, varken, konijnen en kippen.

Dat klinkt voor moderne bezoekers misschien romantisch, maar het dagelijkse leven was zwaar. Veel mensen werkten van zonsopkomst tot zonsondergang op landbouwgrond die soms alleen via steile paden bereikbaar was. Mechanisatie bestond nauwelijks en bijna alles moest met mensen, ezels en muildieren worden vervoerd.

Voeding was vooral gebaseerd op wat men zelf kon verbouwen of goedkoop kon kopen. Groenten, peulvruchten, brood en rijst waren belangrijk. Vlees en eieren waren kostbaarder en werden minder vaak gegeten. Gezinnen hielden soms dieren juist om producten te verkopen in plaats van ze zelf te consumeren.

Wie nu langs oude terrassen wandelt, ziet daardoor meer dan een mooi landschap. Iedere muur vertegenwoordigt werk en iedere verlaten stal herinnert aan een tijd waarin landbouw niet voor sfeer zorgde, maar simpelweg noodzakelijk was om te kunnen leven.

Emigratie tekent twintigste eeuw

Rond het begin van de twintigste eeuw bereikte Vall de Gallinera haar grootste bevolking. In 1910 telde de gemeente ongeveer 2.324 inwoners. Daarna begon een langdurige daling die de vallei diep zou veranderen.

De landbouw kon niet voldoende inkomen bieden aan een steeds grotere bevolking. Jonge inwoners gingen daarom elders op zoek naar werk. Rond de Eerste Wereldoorlog vertrokken bewoners naar landen aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, waaronder de Verenigde Staten, Venezuela, Cuba en Argentinië.

Zo’n reis was kostbaar en ingrijpend. Wie naar Amerika vertrok bleef vaak jarenlang weg en sommigen keerden nooit definitief terug. Netwerken van eerdere emigranten hielpen nieuwkomers bij het zoeken naar werk en huisvesting.

Een andere belangrijke bestemming was Algerije, dat destijds onder Frans koloniaal bestuur stond. Daar bestonden al grotere gemeenschappen van emigranten uit Valencia en Alicante. De afstand was kleiner dan naar Amerika, waardoor tijdelijk migreren gemakkelijker werd.

Vrouwen vonden er bijvoorbeeld werk in huishoudelijke dienstverlening, terwijl mannen terechtkwamen in landbouw, havenwerk, bouw en andere beroepen. Soms vertrok slechts één gezinslid en bleef de rest van de familie in Vall de Gallinera achter om het huis en de landbouwgrond te verzorgen.

Na de Spaanse Burgeroorlog ging de emigratie door. Frankrijk en later ook Duitsland, Zwitserland en andere Europese landen boden werk tijdens de periode waarin West-Europa na de Tweede Wereldoorlog snel groeide.

De bevolkingscijfers laten de verandering scherp zien. In 1920 telde Vall de Gallinera nog ruim tweeduizend inwoners. In 1960 waren dat er ongeveer 1.350, in 1981 nog ongeveer 900 en in 2000 minder dan zeshonderd.

De leegloop veranderde het landschap. Minder mensen betekende dat meer landbouwterrassen werden verlaten. Huizen kwamen leeg te staan en voorzieningen werden moeilijker in stand te houden. Tegelijk bleven families terugkeren voor feesten, vakanties en familiebezoek, waardoor de band met het geboortedorp vaak bleef bestaan.

Burgeroorlog laat littekens achter

Ook de Spaanse Burgeroorlog van 1936 tot 1939 liet Vall de Gallinera niet ongemoeid. Net als elders in Spanje liepen politieke tegenstellingen dwars door kleine gemeenschappen en soms zelfs door families.

Historisch onderzoek naar de gebeurtenissen in de vallei is nog niet volledig. Wel is bekend dat ook hier in 1936 geweld plaatsvond tegen personen die als tegenstanders van de republikeinse machtsstructuren werden beschouwd. In een kleine gemeente betekende iedere arrestatie of dood dat vrijwel iedereen de betrokken families kende.

Na de overwinning van Franco volgde in heel Spanje opnieuw repressie tegen mensen die met de verslagen republikeinse zijde werden geassocieerd. Daar bovenop kwamen armoede, schaarste en beperkte economische vooruitzichten in de naoorlogse jaren.

Voor Vall de Gallinera versterkte die combinatie de emigratie. Mensen vertrokken niet alleen vanwege politiek, maar vooral ook omdat elders werk en een hoger inkomen te vinden waren. De bergen die eeuwenlang bescherming en bestaansmogelijkheden hadden geboden, konden in de moderne economie steeds minder gezinnen onderhouden.

Pas met betere wegen, elektriciteit, waterleidingen, auto's en moderne communicatiemiddelen werd de fysieke afzondering van de vallei geleidelijk kleiner. Vall de Gallinera bleef rustig, maar was niet langer afgesloten van de wereld.

Kersen groeien uit tot symbool

Landbouw bleef ondanks de bevolkingsdaling belangrijk. Amandelen, olijven en verschillende fruitsoorten maakten eeuwenlang deel uit van de lokale economie, maar vooral de kers groeide uit tot hét herkenbare product van Vall de Gallinera.

De aanwezigheid van kersen is al in achttiende-eeuwse beschrijvingen gedocumenteerd. Dankzij hoogteverschillen en het lokale microklimaat konden bepaalde variëteiten op momenten rijpen waarop elders minder aanbod was. Dat gaf de oogst economisch voordeel.

In de moderne tijd werd de kers niet alleen landbouwproduct, maar ook onderdeel van het imago van de vallei. Wanneer de boomgaarden in het voorjaar in bloei staan, trekken de witte en zachtroze bomen bezoekers en fotografen uit de hele regio.

Later volgt de oogst. Het jaarlijkse Festa de la Cirera, oftewel het Kersenfeest, verbindt landbouw met lokale cultuur, gastronomie en gemeenschapsleven. Daarmee vertelt de kers eigenlijk het hele verhaal van Vall de Gallinera in één vrucht: landbouw op terrassen, leven met de seizoenen, afhankelijkheid van weer en water en trots op een product dat nauw met de vallei verbonden is.

De moderne belangstelling brengt kansen voor boeren, horeca en plattelandstoerisme, maar ook nieuwe uitdagingen. Veel bezoekers komen voor het landschap zonder zich altijd te realiseren dat de bloeiende boomgaarden particuliere landbouwbedrijven zijn. Het behoud van het karakter van de vallei hangt daarom ook af van respect voor landbouwgrond en lokale bewoners.

Foradà verbindt licht en geschiedenis

Een van de bekendste symbolen van Vall de Gallinera is de Penya Foradà. De naam verwijst naar de grote natuurlijke opening in de rots. Het Valenciaanse woord foradà betekent ongeveer doorboord of voorzien van een gat.

De rots was door haar opvallende vorm al eeuwenlang een herkenningspunt, maar kreeg een extra historische betekenis door het franciscaner klooster bij Benitaia. Twee keer per jaar ontstaat een bijzondere uitlijning waarbij zonlicht bij zonsondergang door de opening van de Foradà valt en de omgeving van het voormalige klooster bereikt.

Dat gebeurt rond 9 maart en 4 oktober. Vooral 4 oktober is historisch interessant omdat dit de feestdag van Franciscus van Assisi is. De franciscaan Antonio Panes beschreef het verschijnsel al in de zeventiende eeuw.

Het is verleidelijk om daar allerlei mysterieuze theorieën aan te verbinden, maar de historische waarde is zonder zulke verhalen al groot genoeg. Het verschijnsel laat prachtig zien hoe een natuurlijke rotsformatie, een religieus gebouw en de beweging van de zon samen onderdeel werden van het culturele geheugen van een plaats.

Van het klooster is tegenwoordig maar weinig over, maar de plek blijft bezocht worden. De Foradà zelf is bovendien een geliefd wandeldoel en vormt vanuit verschillende dorpen een herkenbaar silhouet.

Al-Azraq herdacht in 2026

Dat geschiedenis in Vall de Gallinera geen afgesloten hoofdstuk is, bleek opnieuw in 2026. Precies 750 jaar na de dood van al-Azraq organiseerde de gemeente activiteiten rond deze historische figuur.

Op 5 mei 2026 was het 750 jaar geleden dat de Andalusische leider bij Alcoi omkwam. Ook op 9 mei werden in Vall de Gallinera activiteiten georganiseerd. Daarbij stonden geschiedenis, cultuur en de vraag hoe al-Azraq in het collectieve geheugen moet worden geplaatst centraal.

Dat is opvallend, omdat al-Azraq eeuwenlang vooral werd bekeken vanuit het perspectief van de christelijke veroveraars. Tegenwoordig is er meer aandacht voor de complexiteit van de periode en voor het feit dat hij voor de islamitische bevolking van deze bergen een lokale machthebber en verzetsleider was.

Zijn geschiedenis is nauw verbonden met Vall de Gallinera. De kastelen van Alcalà en Gallinera, de natuurlijke bergpassen en de kleine nederzettingen vormden het landschap waarin zijn macht was geworteld.

De herdenking van 2026 laat zien hoe historische interpretatie kan veranderen. Het gaat niet om het kiezen van een middeleeuwse winnaar of verliezer, maar om het beter begrijpen van de verschillende bevolkingsgroepen die het huidige Alicante hebben gevormd.

Erfgoed krijgt nieuwe aandacht

In de laatste decennia is de belangstelling voor het verleden van Vall de Gallinera sterk gegroeid. Archeologisch onderzoek, lokale historische verenigingen, de gemeente, universiteiten en instellingen als het MARQ hebben verschillende delen van dat erfgoed onderzocht en toegankelijker gemaakt.

De opening van het interpretatiecentrum voor rotskunst in 2023 past in die ontwikkeling. Bezoekers kunnen daardoor leren over prehistorische kunst die veel ouder is dan de dorpen zelf.

Ook routes naar kastelen, oude nederzettingen, wasplaatsen, bronnen en landbouwterrassen maken het mogelijk het verleden buiten een traditioneel museum te ontdekken. Vall de Gallinera is bij uitstek een plek waar geschiedenis in het landschap ligt.

Dat geldt zelfs voor verlaten plekken. Een halve muur kan het restant van een verdwenen Moriscogehucht zijn. Een smal geplaveid pad kan eeuwenlang door boeren en lastdieren zijn gebruikt. Een ogenschijnlijk eenvoudige bron kan voor generaties bewoners essentieel zijn geweest.

De bescherming van dit erfgoed is niet vanzelfsprekend. Muren vervallen, landbouwterrassen raken overwoekerd en archeologische locaties kunnen door onzorgvuldige bezoekers worden beschadigd. Het verleden behouden vraagt daarom niet alleen geld en onderzoek, maar ook respect van iedereen die de vallei bezoekt.

Geschiedenis zichtbaar in dorpen

De acht kernen die tegenwoordig Vall de Gallinera vormen zijn Benirrama, Benialí, Benissivà, Benitaia, La Carroja, Alpatró, Llombai en Benissili. Elk draagt op zijn eigen manier sporen van het verleden.

Benirrama ligt bij de oostelijke toegang en is historisch verbonden met het Castell de Gallinera. Benialí groeide uit tot het bestuurlijke centrum en hier werd in 1611 de belangrijke Carta de Poblament getekend.

Benissivà en Benitaia liggen vrijwel tegen elkaar aan. Rond deze centrale zone is veel geschiedenis verbonden met de kerkelijke organisatie na de bekering van de Moriscos en met het voormalige franciscaner klooster.

La Carroja en Alpatró herinneren met hun straten, bronnen en landbouwomgeving aan het traditionele dorpsleven. Alpatró heeft bovendien een sterke culturele rol en is een goede plek om te zien hoe erfgoed, landbouw en moderne bewoners naast elkaar bestaan.

Llombai is tegenwoordig zeer klein en wordt in historische beschrijvingen zelfs als vrijwel ontvolkte kern aangeduid. Benissili ligt verder richting het westen en onderscheidt zich door zijn lange bestuurlijke band met het Castell d’Alcalà en de Vall d’Alcalà.

Wie de dorpen alleen als acht namen op een routekaart ziet, mist daardoor veel. Hun onderlinge verschillen zijn een rechtstreeks gevolg van middeleeuwse bestuurlijke grenzen, water, landbouw, bevolkingswisselingen en bereikbaarheid.

Nieuwe bewoners ontdekken de vallei

Na decennia van bevolkingsdaling ontstond in de tweede helft van de twintigste eeuw en vooral in recentere decennia een nieuwe belangstelling voor het landelijke binnenland. Oude huizen die voor lokale gezinnen minder aantrekkelijk waren geworden, kregen nieuwe eigenaren. Sommige werden opgeknapt als tweede woning, andere als permanente woonplek of toeristische accommodatie.

Ook buitenlandse bewoners ontdekten Vall de Gallinera. Nederlanders, Belgen, Britten, Duitsers, Fransen en andere Europeanen gingen in kleine aantallen deel uitmaken van de gemeenschap. Die ontwikkeling heeft geholpen bepaalde woningen te behouden die anders misschien verder zouden zijn vervallen.

Tegelijk blijft de schaal klein. Vall de Gallinera is geen internationale kusturbanisatie en de Valenciaanse taal en cultuur blijven duidelijk aanwezig. Voor wie hier wil wonen in Spanje is dat juist een belangrijk onderdeel van de aantrekkingskracht.

Het verleden speelt ook daarbij een rol. Wie een oud dorpshuis koopt, koopt niet alleen muren en een dak. De woning kan onderdeel zijn van een stratenpatroon dat teruggaat tot de Moriscoperiode of de zeventiende-eeuwse herbevolking. Achter een moderne gevel kunnen eeuwenoude structuren verborgen zitten.

Voor mensen die nadenken over emigreren naar Alicante laat Vall de Gallinera daarmee een heel andere kant van de provincie zien dan Dénia, Jávea of Benidorm. Hier wordt het dagelijkse leven nog sterk bepaald door bergen, kleine dorpen en een landschap dat eeuwenlang door landbouw is gevormd.

Meer lezen over de vallei

Wie Vall de Gallinera beter wil leren kennen, kan op MijnAlicante.nl verder lezen over de algemene informatie over Vall de Gallinera, de natuur van Vall de Gallinera, uitstapjes en toerisme in Vall de Gallinera en wonen in Vall de Gallinera. Deze onderwerpen sluiten nauw op elkaar aan, omdat landschap, landbouw, geschiedenis en dagelijks leven in deze bergvallei nauwelijks van elkaar los te zien zijn.

Ook omliggende plaatsen helpen om de geschiedenis van dit deel van de Marina Alta beter te begrijpen. Lees bijvoorbeeld verder over Pego, Dénia, l’Atzúbia en Sanet y Negrals. Oliva ligt eveneens vlakbij, maar aan de andere kant van de provinciegrens in Valencia. Samen laten deze plaatsen zien hoe sterk de kust, bergvalleien en historische routes van het noorden van Alicante met elkaar verbonden zijn.

Geschiedenis tussen de bergen

De geschiedenis van Vall de Gallinera is uiteindelijk veel ouder en rijker dan op het eerste gezicht zichtbaar is. Jagers en verzamelaars gebruikten deze bergen al in het Laat-Paleolithicum. Prehistorische bewoners lieten schilderingen achter op de rotsen. Iberische gemeenschappen bouwden nederzettingen op strategische hoogtes en eeuwen later ontstond een islamitisch landschap van tientallen kleine landbouwgehuchten.

De dertiende eeuw bracht Jaume I, al-Azraq, kastelen en gewapende strijd. Daarna volgden eeuwen waarin een grotendeels islamitische bevolking onder christelijk bestuur bleef leven. Gedwongen bekeringen maakten van mudéjares Moriscos, totdat de uitwijzing van 1609 bijna de hele bevolking uit de vallei verwijderde.

De komst van families uit Mallorca en andere Balearische eilanden vanaf het begin van de zeventiende eeuw gaf Vall de Gallinera een nieuw hoofdstuk. De Carta de Poblament van 1611 legde de voorwaarden vast waaronder zij het verlaten land opnieuw gingen bewerken. Hun invloed leeft nog steeds voort in taal, familienamen, eten en lokale identiteit.

Daarna kwamen anti-feodale spanningen, de Spaanse Successieoorlog, bevolkingsgroei, cholera en uiteindelijk massale emigratie. De twintigste eeuw maakte van een gemeente met meer dan tweeduizend inwoners opnieuw een dunbevolkte bergvallei.

Toch verdween Vall de Gallinera nooit. Dorpen, families, kersenboomgaarden en tradities bleven bestaan. Verlaten huizen werden opnieuw bewoond, wandelpaden kregen nieuwe bezoekers en historische plekken werden onderzocht en beschermd.

Dat maakt deze vallei zo bijzonder. Er is geen enkel monument dat het hele verhaal vertelt. De geschiedenis zit verspreid over het landschap: in een prehistorische schildering, de ruïne van een islamitisch kasteel, een verdwenen Moriscogehucht, een Mallorcaanse familienaam, een stenen terras, een wasplaats, een kerktoren en een kersenboom.

Wie langzaam door Vall de Gallinera trekt, reist daardoor ongemerkt door duizenden jaren geschiedenis. Achter vrijwel iedere bocht van de CV-700 ligt een nieuw hoofdstuk. Soms is dat zichtbaar in een ruïne of kerk, soms alleen in een naam die al eeuwen wordt gebruikt. Juist die opeenstapeling van menselijke verhalen maakt Vall de Gallinera tot veel meer dan een mooie vallei in Alicante.

Dit artikel is voor het laatst bijgewerkt op 7 augustus 2026.